
Op donderdag 27 maart 1952, tijdens een sneeuwstorm, begon 't gedoe. In de Heistraat, Valkenswaard.
Reeds op zeer jeugdige leeftijd volgde ik onderwijs! Helaas zijn mijn herinneringen aan de kleuterschool zo vaag, dat je 't nauwelijks herinneringen kunt noemen. De school was aan de Maastrichterweg en werd gerund door nonnen. Het stonk er, en er was een poppenhoek. Dat was 't zo'n beetje.
Na de kleuterschool werden naar goed rooms-fundamentalistisch gebruik de beide seksen van elkaar gescheiden. Mijn zussen Maria en Jannie gingen naar de Theresiaschool en ik naar de Aloysiusschool in de Kromstraat. Die zedige scheiding was er overigens ook in de kerk. De vrouwen (uiteraard met hoofddeksel, dus niet zo zwakzinnig zwetsen, bruinhemden van nu) zaten links van het middenpad en de mannen rechts. (Of andersom, natuurlijk.)
Op de Lagere School legde ik onder begeleiding van 'de broeders' en enkele ingehuurde 'leken' (de clerus was al aardig op z'n retour) de basis voor mijn grandioze carrière. Een carrière met de focus op ambities, hoogwaardige kwaliteit en toegevoegde waarde. En passie! Vergat ik toch bijna de passie!
Het menselijk geheugen is behoorlijk onbetrouwbaar, maar schijnt in geval van traumatische ervaringen feilloos te werken. Nou, die klap van de onderwijzer van de eerste klas, met de volle hand tegen mijn tamelijk onschuldige kop – ik voel 'm nog! Nou ja, figuurlijk dan.
De Aloysiusschool was een ware culturele broedplaats. De broeder die ik in zowel de vierde als de vijfde klas had, leerde ons zingen en noten lezen. Het was Gregoriaans. Het leverde me mijn eerste drie diploma's op. Diploma C voeg ik hier als bewijsstuk bij. Dat ik A en B ook gehaald heb, moet je maar van me aannemen – ze zijn foetsie.
Door een doeltreffende combinatie van landkaarten aan de muur en klassikale spreekkoren leerde ik de namen van de grote steden van alle continenten uit mijn hoofd. Azië was als eerste aan de beurt. Waarschijnlijk daarom kan ik alleen dát rijtje nog steeds foutloos opdreunen. Smyrna, Ankara, Jeruzalem, Medina, Mekka, Aden, Bagdad, Teheran, Tasjkent, Omsk, Irkoetsk, enzovoort, om dan luidkeels te eindigen met Yo-ko-haah-maaaah! Als tweede werelddeel deden we Australië – dat boeide me al een stuk minder. Het rijtje weet ik niet meer – wél dat de broeder 'Adelaide' uitsprak als "a-de-la-ie-de". Ik dus ook.

Een mijlpaal in mijn leven was natuurlijk het behalen van het felbegeerde verkeersdiploma. Ik zet dit fantastische document op deze pagina opdat iedereen met eigen ogen kan zien dat ik een veelbelovend menneke was!
Na de Lagere School moest ik naar de HBS. Ja, moest. Zelf wou ik naar de ULO (of was 't nou de MULO?), waar de meeste van mijn vriendjes naartoe gingen. Mijn Almachtige Vader (nee hoor, ik bedoel gewoon onze pa) besliste anders. Harrieke ging naar het Hertog Jan College.
Dat college was een behoorlijke kakschool. Veel hockey en zo. De speelplaats heette er niet speelplaats, of binnenplaats of weet ik veel, maar cour. De bazin van de MMS werd 'conrectrix' genoemd en de godsdienstleraar 'moderator'. Dat was overigens een sympathieke pater (of zoiets), met wie je normaal kon discussiëren over het al dan niet bestaan van goden.
In de derde klas bleef ik zitten en verknalde toen voorgoed mijn algebra, meetkunde en natuurkunde. Dat was goed lomp van me, want nu was ik veroordeeld tot twee saaie jaren economie, handelsrekenen en boekhouden. (Naast Frans, Duits en Engels: vertalen, vertalen en nog eens vertalen.) Haalde ik dus acht jaar daarvoor nog op m'n sloffen Gregoriaans A, B en C, in 1970 kwam ik wat betreft de HBS niet verder dan 'A'.
Mijn studie sociologie aan "de hogeschool" (Katholieke Hogeschool Tilburg, later KUB genoemd, terwijl KUT logischer en veel mooier – nee, prachtig! – zou zijn geweest) sloot ik reeds lang geleden en nogal voortijdig af met een gemiddelde van 3 voor mijn propedeuse. Bij de ASF (Alternatieve Sociale Fakulteit) heb ik méér geleerd – vooral "Politieke Ekonomie". Maar ook praktische vaardigheden als spandoeken maken en stencilmachines bedienen. Veel tubes rooie inkt heb ik er toen doorgejaagd.

In maart 1973 heb ik het 13de Pantserinfanteriebataljon Prinses Bomenfluisteraar (13 Painfbat) in Schalkhaar versterkt met mijn oneindige vaderlandsliefde. Op de keuring, een jaar of vier daarvoor, had ik het nog zo duidelijk gezegd tegen zo'n typische snor met een pet erboven: landen, grenzen, legers – weg met die achterlijke onzin! Maar nee hoor, ze moesten me toch hebben. Nou ja, zelf weten.
Toen ik een dag te laat kwam aanzetten waren de helmen en de geweren op. Mooi! Zo liep ik er metéén al bij als een halve. Twee weken at ik niets. Elke nacht bleef ik zo lang mogelijk wakker en ik dronk alleen koffie en cola. Maar omvallen, ho maar! Tijdens een driedaags bivak kwam een jeep met medische petten 'gewoon soldaat' Baken halen. Ze brachten me terug naar de kazerne, waar ik acuut de ziekenboeg in moest. Waarschijnlijk hadden ze geen zin in een lijk van veertig kilo. Een week later kreeg ik een grote bruine vlop. Op mijn verjaardag! Met daarin een fantastisch cadeau: ik kreeg een S5! Dat is een afwijking of zo. Haha.
Zo, die maand militaire dienst zat erop. Laat ik eens wat nuttigs gaan doen, dacht ik. Ik schreef me in op het Mollerinstituut, een NLO (Nieuwe Lerarenopleiding) in Tilburg.
Niet dat ik toen dacht: "Leraar worden, te gek man! In onze pa (onderwijzer) z'n voetsporen!" Nou nee, niet echt & echt niet. Ik wou gewoon studeren, maar deze keer een beetje serieus.
Op een NLO moest men destijds twee vakken doen. Mijn combinatie werd Nederlands en geschiedenis. M'n Nederlands, beter gezegd m'n taalgevoel, was op de HBS zó goed, dat ik alle vertalingen Frans aankon zonder veel van het Frans zelf te snappen. Het tweede vak, geschiedenis, vond ik bijzonder boeiend. Het gaat in feite over 'alles en iedereen' (in het vak historiografie ook over zichzelf) en het verschaft je een gezonde portie relativisme.
Wordt vervolgd. Ooit. Misschien.
Bijgewerkt op 2012-01-22 om 20:33:19 (eerste versie: woensdag 2002-10-30)




/me is bijna altijd